De afgelopen maanden is de vrijheid van meningsuiting weer stevig onder vuur komen te liggen. Mag je kwetsen? Mag je beledigen? In dit opinieartikel (geplaatst in de Leidse SPIL Almanak) ga ik in op het delicate nut van provoceren.
Toen de Britten en Amerikanen het signaal gaven dat het herpubliceren van de Deense cartoons "beledigend, ongevoelig, onrespectvol en verkeerd" was, prezen velen dit als een handige poging om de verhitte gemoederen te kalmeren. Deze lof is misplaatst. Vrijheid van meningsuiting, inclusief haar radicale broertje provocatie, vormt een belangrijke sleutel tot vooruitgang. Daarom wil ik hier de schadelijke effecten van zo'n oproep tot zelfcensuur benadrukken.
Zowel op wetenschappelijk, religieus, sociaal als politiek gebied is vooruitgang altijd begonnen met individuen die de gangbare opinie attaqueerden. Natuurlijk zullen het establishment en de 's.ille meerderheid" kritiek vaak ervaren als beledigend of provocerend. Maar provocatie heeft een lange en vruchtbare geschiedenis. In 1509 opende Erasmus met zijn 'Lof der Zotheid' de aanval op religieuze scherpslijpers die vijf eeuwen later nog even relevant is. Galileo's beloning voor zijn, achteraf gezien revolutionaire, ontdekking dat de aarde om de zon heen draait was een levenslang huisarrest. En in de jaren zestig waren grote delen van de bevolking geschokt toen de feministische Dolle Mina's hun bh's publiekelijk verbrandden en leuzen als "Baas in eigen buik!" scandeerden. Hun optreden baande wél de weg voor een serieus debat over abortus, een onderwerp dat daarvoor taboe was.
Tegenwoordig de westerse samenleving onderscheidt zich echter door het feit dat mensen met autoriteit niet gevrijwaard zijn van kritiek, in tegendeel zelfs. De wetenschap stijgt tot grote hoogte omdat wetenschappers elkaars theorieën op het scherpst van de snede bekritiseren. En politici worden scherp gehouden door kritische burgers en journalisten. Maar terwijl in deze kringen een levendig debat gaande is, blijft in de religieuze hoek dogmatisme de boventoon voeren. Gelovigen eisen een uitzonderingspositie op als het de vrijheid van meningsuiting betreft. Kritiek wordt te vaak afgedaan met een verwijzing naar eeuwenoude heilige geschriften, en leidt soms zelfs tot een fatwa of vervolging. Op angst gebaseerde zelfcensuur is onacceptabel. Zo is er geen wettelijk verbod op het vertonen van Submission, maar angst voor represailles maakt dit praktisch onmogelijk. Uitholling van de vrijheid van meningsuiting door het ontzien van religieuze gevoeligheden kunnen we niet toestaan; het debat zou doodbloeden en de ideeënstroom opdrogen.
Sommige critici prefereren fijne penseelstreken, terwijl anderen een grove kwast hanteren om hun kritiek te uiten. Beide instrumenten hebben hun nut en moeten de criticus ter beschikking staan. Het publieke debat heeft bovendien een groot zelfreinigend vermogen. Burgers hebben in een open maatschappij de verantwoordelijkheid om ongefundeerde beledigingen te bekritiseren, of juist bewust te negeren. Deze stemmen zullen dan ook uit de discussie worden gefilterd en verdwijnen. Maar provocaties kunnen ook een positief effect hebben, ook al wordt dit soms pas jaren later duidelijk. Zij doorbreken taboes en creëren politieke ruimte voor gematigde stemmen om bepaalde onderwerpen op een constructieve wijze te bediscussiëren. Moet je dan ook maar meteen alles zeggen wat je mag zeggen? Zeker niet. Behalve wettelijke kaders, gelden ook persoonlijke overwegingen van smaak, fatsoen en effectiviteit. Persoonlijk heb ik de behoefte niet om Mohammed af te beelden. Maar deze keuze dient iedereen voor zichzelf te maken. Als deze keuze verder wordt beperkt door angst voor vergeldingsacties, dan zullen niet de beste ideeën overleven maar de minst controversiële.
Boris van der Ham Tweede Kamerlid D66