Opinieartikel geschreven door Boris van der Ham

Wie spreek je aan, als niemand de macht heeft? (De Gids)

25 februari 2005

Dit artikel van mijn hand heeft gestaan in het jubilieum nummer van 'De Gids', en blad voor literatuur en wereldbeschouwing. Andere schrijvers in de nummer waren minister Bot van Buitenlandse Zaken en Adriaan van Dis.

Over de Nederlandse democratie bestaan nogal wat misverstanden, vooral in Nederland zelf. Want we denken dat we het zo goed voor elkaar hebben met z"n allen. Het poldermodel zorgt dat iedereen wat in de melk te brokkelen heeft, terwijl zogenaamde "Amerikaanse toestanden" ons bespaard blijven. Hoezee, hoezee, hoezee! In het jaar 2000 was de verkiezingsoverwinning van de Amerikaanse presidentskandidaat Al Gore zó nipt, dat de rechtbank eraan te pas moest komen om vast te stellen wie er nu eigenlijk had gewonnen. Duidelijk was, dat Gore in het hele land net een paar stemmen méér had vergaard dan zijn rivaal George W. Bush; de vraag was alleen hoe die verhouding lag in de beslissende staat Florida. Nu alle stemmen daar nog eens zorgvuldig geteld zijn, weten we dat ook hier Gore de overwinnaar was. Maar de beslissing over wie er de machtigste man op aarde zou worden hing niet af van die hertelling. Het Hoge Rechtshof had voor die tijd namelijk al bepaald dat de Republikein George W. Bush zijn intrek in het Witte Huis mocht nemen. Veel Nederlanders volgenden dit proces met een mengeling van afschuw en leedvermaak. Wat is dat nu voor schijndemocratie, waar de rechter bepaalt wie er President wordt? Mag ik u meenemen in een klein gedachte-experiment? Stel nu, dat de Amerikanen hadden gezegd: weet je wat, we doen dit jaar eens geen presidentsverkiezingen. Dat kost toch alleen maar geld. In plaats daarvan zetten we - pak "m beet - een dochter van John F. Kennedy in een gouden koets en laten we haar met de leiders van de grote partijen in het Congres praten. Vervolgens mag zij bepalen wie de nieuwe regering gaat vormen. De enige voorwaarde is dat het Congres met de uiteindelijke voordracht instemt, dat is democratisch genoeg. Want om mensen te vragen én voor het Congres te stemmen en dan ook nog eens voor de President, dat is toch echt teveel gevraagd. Ik ben er van overtuigd dat er bij dit scenario in de VS een volksopstand was uitgebroken; de Amerikanen houden speciaal voor dit soort gelegenheden hardnekkig vast aan het in onze Europese ogen zo zelf-destructieve grondwettelijke recht om wapens te dragen. De formele argumentatie daarvan is, dat burgers zich moeten kunnen verdedigen als de overheid zich tegen hen keert. Bizar? Ongetwijfeld. Maar is het allemaal zo veel vreemder dan wat er in Nederland gebeurt? U begrijpt natuurlijk al lang waar ik naartoe wil. In de VS mág de kiezer tenminste nog bepalen wie de leider van het land wordt. In Nederland maakt de politieke elite dat onderling wel even uit en geen kiezer die daar invloed op heeft. We vragen mensen om te gaan stemmen, maar op de regering die dit oplevert heeft de kiezer nauwelijks invloed. Het scheelt nogal of je een centrum-links, een centrum-rechts of een Paars kabinet hebt. Maar de kiezer gaat daar niet over. Vaak wordt een kabinet gevormd met het oneigenlijke argument, dat wie méér stemmen heeft dan de vorige keer "voorrang" heeft om deel te nemen aan de regering. Wie verliest, moet de oppositiebankjes in. Dat klinkt logisch, maar dat is het niet. Want wie wint over verliest hangt niet samen met de krachtsverhoudingen tussen partijen, maar met het verschil tussen de kiezers van vandaag en die van een paar jaar geleden. Maar waarom zouden die laatsten een rol moeten spelen? Als er de vorige verkiezingen tweeëneenhalf miljoen mensen op een partij stemmen en nu nog maar twee miljoen, dan "verliest" die partij. Maar waarom zouden de half miljoen kiezers die zijn weggelopen méér invloed moeten hebben op de machtsvorming, dan de twee miljoen kiezers die zijn gebleven? Maar goed, als dat nu nog het ergste zou zijn"¦ Toen Koningin Beatrix in 1994 bepaalde dat de socialist Wim Kok formateur zou worden, sloot zij daarmee uit dat Nederland een centrum-rechts kabinet zou krijgen. De verkiezingsuitslag had dat wel degelijk mogelijk gemaakt. Eigenlijk speelde de koningin daarmee een beetje Hoge Rechtshofje. Maar een Hoge Rechtshof wordt in ieder geval nog benoemd door de politiek op grond van verdienste; de koningin kan zo'n besluit alleen maar nemen vanwege de positie die zij op grond van erfopvolging heeft verworven. Probeer dat maar eens aan die Amerikaan uit te leggen, over wiens presidentsverkiezingen je je net nog hebt zitten verkneukelen! Elk land krijgt de leiders die het verdient, zegt een oud gezegde. De werkelijkheid is dat elk land de leiders krijgt die het systeem mogelijk maakt. Wie president van de Verenigde Staten wil worden, moet een visie hebben waar hij een meerderheid van het hele land achter kan verenigen, en dan ook nog evenwichtig verdeeld over de staten. Dat vraag om grootste visies en een enorme samenbindende kracht. Wie in Nederland premier wil worden, moet juist niet worden gehinderd door al te opzichtige idealen. Je moet de belichaming zijn van het compromis. Je dankt je positie immers niet aan de kiezers, maar aan de coalitiepartijen. Die moet je dan ook in de eerste plaats dienen. Je mag het volk ook weer niet helemaal vergeten, want je wilt natuurlijk wel dat jouw partij stemmen overhoudt aan jouw premierschap. Maar dat komt toch echt op de tweede plaats voor een Nederlandse premier. Dat blijkt ook wel uit het feit dat je niet eens aan verkiezingen hoeft deel te nemen om premier te worden. Nederland heeft minister-presidenten gekend waar niemand ooit op heeft gestemd. In 2003 was dat bijna weer gebeurt, toen de (benoemde) burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, door de sociaal-democraten naar voren werd geschoven. Ook 'gewone' ministers hoeven niet noodzakelijk verantwoording af te leggen aan de kiezers. Maar die ministers die wél op een kandidatenlijst stonden hebben weer andere problemen. Waar zij in de verkiezingstijd probeerden uit te leggen waarom het toch echt misgaat als we hún programma niet zouden uitvoeren, daar zijn zij nu de verdediger van het Grote Coalitiecompromis. Niet omdat ze van mening zijn veranderd, maar omdat hun positie dat van ze vraagt. Ze voeren een soort toneelstukje op en het erge is: iedereen weet het. De kiezer die zegt dat politici toch steeds iets anders dóen dan ze beloofd hebben, heeft meestal gelijk. De uitzondering op die regel zijn die politici die ervoor kiezen aan de zijlijn te blijven staan. Zij hoeven nooit een compromis te verdedigen en kunnen zich wentelen in hun eigen gelijk. Maar zij zullen ook nooit iets bereiken. Dat is nogal een dilemma voor wie de politiek ingaat met duidelijke idealen. Nederland is dus een land van compromissen. Dat heeft ook voordelen. Maar het zijn geen compromissen tussen bevolkingsgroepen met verschillende ideeën, maar compromissen tussen partij-elites. Over sommige onderwerpen kan dan ook een brede consensus bestaan in de samenleving, zonder dat dit zijn weerslag vindt in de politiek. Nederland wil bijvoorbeeld best zelf de Minister-President kunnen kiezen of een referendum kunnen houden. Maar omdat de partijelites hier zelf geen baat bij hebben, zal het er niet van komen. Een debat over democratische vernieuwing in de Tweede Kamer doet sterk denken aan een vergadering in de kippenren over het nieuwe assortiment van de poelier. Het is in Nederland dus moeilijk om over de schaduw van het compromis heen te springen. Maar om dat helemaal onmogelijk te maken, is het "poldermodel" uitgevonden. Daarbij praten niet alleen de politieke elites met elkaar, maar ook de elites die allerlei deelbelangen vertegenwoordigen. De werkgevers en werknemers, bijvoorbeeld. Dat heeft één groot voordeel: zonder grootste stakingen kan er loonmatiging worden bereikt en dat is heel goed voor de economie. Vanwege dat simpele gegeven krijgt het poldermodel veel lof krijgt toegezwaaid. Dat poldermodel lijkt het toppunt van democratie: op het eerste gezicht praat iedereen overal over mee. Maar als werkgevers en werknemers belangrijke beslissingen nemen over de economie, wie komt er dan op voor het belang van de werklozen, of de pensioengerechtigden bijvoorbeeld? Wie denkt er aan toekomstige generaties, aan het milieu, of aan de mensen die nu nog op school zitten? Uiteindelijk is het poldermodel een uitruil van deelbelangen om zo het politieke debat te pacificeren. Het ergste daarvan is, dat je niemand meer kunt afrekenen op wat er uiteindelijk gebeurt. Dat wordt het best duidelijk als het een keer echt misgaat, zoals toen er in Enschede een vuurwerkfabriek in een woonwijk ontplofte. Iedereen wees naar elkaars stukje deelverantwoordelijkheid. Gelukkig komt er een klein barstje in het bastion van de elites: de burgemeester zal voortaan niet meer door de partijen benoemd worden, maar worden gekozen door de bevolking. Dat zal ook de afrekenbaarheid in de gemeente ten goede komen. Zoals de eerste rechtstreeks gekozen burgmeenster van London, Ken Livingston, zei na zijn stembusoverwinning: 'Eindelijk hebben de Londonaren iemand om de schuld te geven'. Hoe cynisch het ook klinkt: dat is wel belangrijk in een democratie. Omdat in Nederland heel veel mensen het een beetje voor het zeggen hebben, heeft niemand echt macht. Nederlanders vinden macht doorgaans ook een vies woord. Maar zonder zichtbare macht bestaat er geen afrekenbaarheid en dus ook geen democratie. Wie kun je aanspreken als niemand écht verantwoordelijk is? De regering of de minister-president kun je niet naar huis sturen, die wordt immers niet gekozen. De regeringspartijen dan maar? Zij wíllen wel beter, maar zijn gebonden aan het compromis. Omdat dat het best haalbare is, is het niet altijd logisch ze daarvoor af te straffen. Je kunt nog op een oppositiepartij stemmen, maar ja, zolang dat geen partij is die altijd machteloos aan de kant staat weet je nooit of die straks niet juist zaken gaat doen met de partij waar je nou net vanaf wilde. En de vakbeweging dan, of andere polderinstellingen? Als je er al achter komt wat zich in de gesloten onderhandelkamers afspeelt, hoe krijg je daar in godsnaam ooit invloed op? En dan heb ik, omdat dit stuk over Nederland moest gaan, de beslissingen die door de EU of zelfs de WTO worden genomen nog maar even buiten beschouwing gelaten. Er zijn veel verschillende definities van democratie mogelijk. Maar als het er om gaat zoveel mogelijk macht bij de kiezer te leggen, dan kan Nederland nog wel het één en ander leren van de landen om ons heen. En als ik heel eerlijk ben, denk ik dat we zelfs wel wat Amerikaanse toestanden zouden kunnen gebruiken.

Boris in de buurt

Speciale pagina’s

Politieke onderwerpen